
Sly Dunbar is gisteren, 26 januari 2026, overleden op 74-jarige leeftijd. Hij is de drummer die het reggaedrummen vernieuwde in de jaren tachtig en als ritmetandem Sly & Robbie artiesten als Grace Jones, Mick Jagger, Joe Cocker en Bob Dylan van zijn drumgrooves voorzag. Het interview dat we in Slagwerkkrant nummer 30 publiceerden, in 1989, publiceren we hier opnieuw.
Interview door Erk Willemsen

Sly Dunbar begon met drummen toen hij op vijftienjarige leeftijd de schooldeuren achter zich dicht trok. Meteen had hij veel werk in nachtclubs met de top veertig band The Yardbrooms. Daarin deed hij ervaring op met alle soorten muziek, van rhythm & blues tot ska en reggae. Een paar jaar later, in 1973, ontmoette hij de bassist met wie hij lang zou samenspelen, Robbie Shakespeare. The Revolutionaries was de band met de vele live gigs, die steeds vaker gevraagd werd de instrumentale tracks voor de Channel One Studio in te spelen. In die tijd speelde het duo zich voor het eerst in de kijker en kregen ze grote bekendheid op Jamaica. Bob Marley hield toen triomftochten over de hele wereld en maakte de weg vrij voor andere reggaegroepen om op tournee te gaan. Peter Tosh vroeg Sly & Robbie in 1979 als ritmetandem voor zijn band. Toen al sierden hun namen vele achterkanten van platenhoezen. Ontelbaar zijn de opnamen met reggaezangers van Dennis Brown, Ini Kamoze, Gregory Isaacs, Yellowman en Eek’A’Mouse tot Bob Marley.
SLY TACKLE
In de jaren zeventig hadden Sly & Robbie eindeloos geëxperimenteerd met variaties op de reggaebeat. De meest gebezigde One Drop, met de bassdrum alleen op de derde tel, had Sly Dunbar gewijzigd in een Four Drop, die nauwer aansloot bij de rocktraditie; de bassdrum wordt op alle vier kwarten van de maat gespeeld. Sly daarover in ons interview: `Er waren wel drummers die iets dergelijks speelden, maar toen drong het nog niet door. In de Channel One Studio werkten we toen veel aan zowel drumritmes als drumsounds, dat was zo rond 1975. Ik gebruikte de Four Drop op Jailhouse Set Me Free en dat was een grote hit op Jamaica. Dat merkten we overigens pas toen we van een toer terugkwamen.' Kort daarop was er ook de Two Drop, of Steppers en in de nog recentere Rub’A’Dub werd ook de bassdrum syncopisch gemaakt.
Met de vraag over het gebruik van nieuwe ritmes werd de juiste snaar geraakt bij Sly Dunbar. In de rest van het interview toont hij zich een weliswaar uiterst ontspannen, maar weinig spraakzame gesprekspartner, die zich nauwelijks kan verplaatsen in mensen die vragen stellen over de reggae-geschiedenis en over de achtergronden van zijn drumgeluid. `Gewoon spelen' is Sly's motto. Praten over muziek doe je niet. Alleen over ritmes dan, want daarvoor verzinnen Sly & Robbie de meest fantastische namen. De One Drop is er daar dus één van en bovendien de oudste. Maar nog steeds speelt hij bij tijd en wijle deze One Drop. Een voorbeeld is de reggaeversie van Cat Stevens' Wild World, die onlangs tot een hit gezongen werd door Maxi Priest. In dat nummer komen bassdrum en snaredrum op de derde tel. Sly: `We hebben ook een ritme dat we de Sly Tackle noemen (en hij tikt op de tafel om zijn woorden te illustreren). Andere namen die we aan ritmes hebben gegeven zijn The Bounce, Straight Four en Easy Rock. Die laatste is een rhythm & blues patroon, toegepast in reggae.'
De Jamaicaanse roem, de wereldtournee met Peter Tosh en de vernieuwingsdrang van Sly & Robbie trok de aandacht van Island platenbaas en producer Chris Blackwell die het duo vroeg mee te werken aan de plaat van het nieuwe fenomeen Grace Jones. Er moest een nieuwe sound gecreëerd worden en het duo, in samenwerking met engineer Alex Sadkin, slaagde daar op Warm Leatherette (1980) zeer goed in. `Sadkin besteedde uren aan de drums. Als het geluid hem niet helemaal beviel, verwisselde hij desnoods alle vellen. En altijd, na het stemmen en miken van de drums namen we tracks op om te kijken hoe de sound zou overkomen. Pas daarna begonnen de eigenlijke opnamen.'
TRANCE
En toen was de beer los. De aanbiedingen stroomden binnen, zeker nadat op de tweede elpee met Grace Jones, Nightclubbing (1981), sound en ritme nog meer uitgekristalliseerd waren. De sfeer van de reggae werd ingepast in rockritmes en die combinatie trok vele zangers aan. De plaat met Joe Cocker, Sheffield Steel (1982), wordt door Sly & Robbie van een trance-achtige ritmiek voorzien. In twee nummers hoor je een aantal keer exact dezelfde fill en in twee andere songs start het nummer met een opmaatbreak. Dat is het. De rest van de plaat is puur en alleen `groove'. Relax man, zou je haast zeggen. Op de vraag of hij het als drummer leuk blijft vinden jaar in jaar uit dezelfde simpele grooves te spelen komt een antwoord dat in de lijn der verwachting lag: `Yeah man, je kan zoveel variatie in de feeling leggen. Iedere song vraagt toch weer om een andere benadering.'
Maar je hoeft niet vreemd op te kijken als je Sly Dunbar een hele avond lang dezelfde Straight Four beat hoort slaan, zoals bij de tournee die hij drie jaar geleden deed met The Taxi Gang featuring Gregory Isaacs. Onweerstaanbaar is die Straight Four en het is vooral de kracht van de swing die de aandacht van Sly vasthoudt. Tijdens de laatste concertenreeks, met de Lover's Rock van Freddie McGregor en Maxi Priest, was het voornamelijk The Bounce die gespeeld werd, een haast nog lomer ritme dan de Straight Four.
foto door Ulbo de Sitter
De jarenlange studio-ervaringen maakten Sly & Robbie ook tot experts in productie. Vele reggae-opnamen van Jamaica worden door het duo geproduceerd, evenals de steeds langere lijst van eigen elpees. Language Barrier (1985) was de eerste die ook in het Westen doorbrak. Daarop laat Sly zich van zijn andere, veel agressievere zijde zien. Een keihard geluid, vooral van de snaredrum, en talloze breaks over zijn Simmons toms sieren de plaat. Sly: `Normaliter gebruik ik de ddrum kick en de Simmons toms. Ik heb nog altijd de oude pads, die hebben die lekkere harde terugslag, daar hou ik van. Any sound could be the sound. Vaak hebben we in de studio de Fairlight ter beschikking voor die big drumsound die we ook voor Rhythm Killers (1987) gebruikten'. Maar ook de akoestische klanken, en zeker de snare klinken vaak erg big op de door Sly & Robbie geproduceerde platen: `De microfoon voor de snaredrum richt ik vanaf de rechterkant, zodat ook de crossstick goed versterkt wordt. De engineer bepaalt hoe de cymbals versterkt worden, meestal overhead. Any sound can work these days'.
Is zijn drumsound veranderd in de afgelopen twintig jaar? `Niet echt veel. Indertijd had ik soms een prachtige sound. Het is wel wat veranderd, maar niet veel. De snare is in de mix wel iets luider, maar dat heb ik altijd al gewild; de snare moet zo hard mogelijk. Voor de dancefloor is zo'n gated reverb over de snare heel mooi. Hoe het volgende album gaat worden is nog afwachten. We hebben het er wel over, maar van de ene op de andere dag kan dat veranderen. We moeten namelijk inspelen op de trend. Nu is het rap en hiphop dat de klok slaat en we zullen daar zeker gebruik van maken. We bespreken ook altijd met Chris Blackwell van Island hoe we het zullen aanpakken. We moeten wel, anders verkopen we niks.
BLACK UHURU
De enorme belangstelling uit de rockwereld heeft de animo om reggae te spelen nooit verminderd. Vanaf 1980 namen Sly & Robbie op met onder andere Grace Jones, Joe Cocker, Carly Simon, Mick Jagger, Herbie Hancock, Rolling Stones, Fela Kuti en Bob Dylan. Maar tussen alle bedrijven door produceerden en speelden ze op vrijwel alle platen van Black Uhuru, een van de meest vooruitstrevende reggaegroepen van Jamaica. Anthem (1983) was de eerste plaat waarop Sly de hem zo dierbare Simmons 5 gebruikte. Snaredrum, bassdrum en timbales behield hij. De twee laatsten werden in de loop der jaren ook vervangen door de ddrum kick en een Roland Octapad, die drumcomputergeluiden triggerde. Twee Zildjian crash bekkens completeren zijn set, die hij zowel live als in de studio bespeelt. De uitgebreide Taxi Gang tournee's (het eigen platenlabel van Sly & Robbie) tonen aan dat de drang om live te spelen nimmer is afgenomen. Zo wisselt hun leven zich gedurende het jaar af tussen een aantal maanden studio, meestal op Jamaica (en nog steeds regelmatig in de sfeerrijke Channel One
studio), en de hotelkamers en kleedkamers van steden in Europa en Amerika. Vrije tijd is er niet bij voor het duo en daaraan hebben ze ook geen behoefte. `We zijn blij dat we iedere keer weer aanbiedingen krijgen. Momenteel doen we voornamelijk eigen producties en veel reggae; het werk voor rockartiesten is iets minder. Hoe dat precies komt weet ik niet. Het hangt altijd erg af van of je toevallig beschikbaar bent. Ook ben je afhankelijk van de wensen van platenmaatschappijen.
Dat Sly met Robbie blijft spelen staat voor hem als een paal boven water. `Er zijn ook andere goede reggaebassisten, maar de timing van Robbie is uniek. Onze samenwerking is heel goed. Soms bespreken we iets, maar meestal is dat niet eens nodig. Als hij iets op bas speelt dat losjes klinkt, dan compenseer ik dat met een solide beat. Omgekeerd gebeurt dat ook wel, maar meestal geef ik de steady basis. Ik respecteer Robbie heel erg, zijn bas klinkt zo stevig en overal weet hij weer de juiste sound voor te vinden. Hij is zich zeer bewust van zijn eigen geluid.'
En tijdens het concert was dat te horen. Tot diep in de onderbuik voelde je zijn bas. Contrasterend daarmee was de bassdrumsound, die Robbie's bas volledig uit de weg ging met een flinke dosis hoge frequenties. En weer was er die verbazing: de relaxte motoriek op hihat, de softe maar zo precieze aanslag van zijn bassdrum en de merkwaardig stijve, hoog opgeslagen linkerarm, die vlak voordat hij op het Duraline snaredrumvel neerkomt soepel ontspant en keihard aanslaat; een heel concert lang, iedere keer weer, met steeds dezelfde sound, met steeds dezelfde ritmes. Ah, een verandering, denk je op een gegeven moment als de bassdrum varieert. Gelukkig, hij deed zijn naam eer aan: keurig werd de variatie vier keer gespeeld, om vervolgens weer terug te keren naar die onweerstaanbare Bounce groove.....
Uit: Slagwerkkrant 30, februari-maart 1989