Royal drums
‘koninklijk’ slagwerk uit de Amsterdamse Jordaan
Slagwerkkrant Plus 20-08-2008 00:08
In Slagwerkkrant 147 kon je lezen dat auteur Tom Vermulst een boek heeft geschreven over de geschiedenis van het Amsterdamse drummerk Royal. Complete titel van het werk is Royal, 'Koninklijk' slagwerk uit de Amsterdamse Jordaan. Over duizenden trommen, een paar honderd drumstellen, drie onderstukken, twee jenevertjes, anderhalf ons kaas en een sigaar. Wij houden het, naar een goede traditie uit de vintagedrumwereld, dus maar op het ‘Royal-boek’. Hieronder een voorpublicatie, geschreven door Tom Vermulst zelf.Op 1 februari 1937 wordt in Amsterdam de vennootschap Looise en Co. opgericht. Het is een metaalbedrijfje met twee vennoten, de heren Looise en Bitter. Het bedrijfje aan de Marnixstraat produceert voornamelijk kleine metaalwaren voor enkele Amsterdamse scheepswerven. Nadat Bitter in 1939 een andere betrekking aanvaardt, verhuist Looise met zijn bedrijf naar de Bloemstraat 62 in de Jordaan, waar hij een zogenaamd ‘onderstuk’ huurt, een souterrain. In 1942 komt Wim Vogel als leerling-metaaldraaier bij hem in dienst. Vogel is dan een vijftienjarig jochie dat, net van de Ambachtsschool, een diep respect heeft voor het vakmanschap en het technisch inzicht van ‘Meneer Looise’. Op die dag begint een 45-jarige hechte samenwerking, en eigenlijk veel meer dan dat...

Onderduiker
Net als veel andere technische bedrijven worden ook Looise en Vogel in de oorlog door de Duitsers gedwongen om voor hen te werken. De beide heren bedenken echter een wel heel bijzondere oplossing: al hun vaste draaiwerk voor de Duitsers besteden zij clandestien uit aan een Joodse (!) onderduiker die een eigen draaibankje heeft. Daardoor kunnen zij zichzelf bezighouden met andere dingen, waarbij vooral Looise zijn uitvindertalent kan etaleren. Zo maakt het bedrijfje tot 1945 vooral platenwisselaars, waarbij een vinding van Looise hen tot in de verre omtrek klandizie bezorgt.

In 1944 komt de Amsterdamse handelaar Premselaar met de vraag of de firma voor hem schroeven kan gaan draaien. Premselaar zit ook in de muziekhandel en verkoopt onder andere trommen. In de maanden daarna maken Looise en Vogel steeds meer onderdelen voor deze trommen, tot dat eind 1944 Looise besluit om ‘zelf maar eens zo’n ding in mekaar te gaan zetten’. Het eerste modelletje, een houten snare, wordt gemaakt en... daar blijft het bij.

Triumph
Dan komt vlak na de oorlog gitaarimporteur Van Wouw het souterrain aan de Bloemstraat binnenlopen met een Zwitserse Imperial snare onder de arm én de vraag: ‘Kunnen jullie zoiets voor mij maken?’ Omdat Looise en Vogel onmiddellijk de mogelijkheden zien en de skills ervoor hebben, hoeven ze niet lang na te denken. Het merk Triumph wordt geboren. Het is het merk van Van Wouw, dat hij vervolgens in groten getale wegzet. De zaken gaan zo goed dat er in no time nóg vijf mensen in het toch al krappe souterrain staan te werken. De metaaldraaierij wordt nu officieel bij de Amsterdamse Kamer van Koophandel omgezet in een ‘Vervaardigingsbedrijf van slagwerkinstrumenten’ en even later worden ook de twee naastgelegen souterrains erbij gehuurd.

Die eerste Triumph is een prachtige, handgemaakte, messing snare met slanke, zeskantige spanbokjes, een ingenieus, gegoten snarenmechaniek, een sierlijke hendel en alles schitterend vernikkeld. Ook bijzonder is de manier waarop de snaren in het mechaniek zijn bevestigd; niet domweg op een stripje gelijmd, maar één voor één met een minuscuul schroefje door een messing blokje geleid en vastgeschroefd. Een monnikenwerk om te maken, maar het tekent de instelling van beide trommenmakers: ‘We gaan uitsluitend voor het allerbeste!’

Royal snare
In de jaren vijftig is er sprake van een strak geleide politiek van de Nederlandse regering. De lonen zijn laag en worden voor jaren bevroren om de economie weer een kans van slagen te geven. De koopkracht van mensen is laag. Hierdoor stagneert de afzet van de Triumph trommen. De magazijnen van Van Wouw liggen vol en hij raakt zijn spullen niet kwijt. Hij stopt per direct de productie aan de Bloemstraat. Dit is even slikken voor Looise en Vogel. Ze ontslaan alle werknemers en nemen tegelijkertijd een drastisch en moedig besluit: ze beginnen hun eigen drummerk Royal, en vinden een aantal winkels in Nederland bereid om het nieuwe merk te verkopen. In Amsterdam is dat bijvoorbeeld muziekhandel Müller, in Nijmegen Schreeven, in Zwolle Ansink en in Roosendaal Tierolff.
De Royal snare moet natuurlijk een eigen ‘smoel’ krijgen en mag in niets lijken op een Triumph. En dus wordt het snarenmechaniek veranderd, krijgen de spanbokjes een andere vormgeving en worden de spanranden voortaan naar binnen gebogen. Wat blijft, is de handmatige productie - negentig procent wordt in huis gemaakt - en de kwaliteit; die blijft onveranderd hoog.

Drumsets
Als de economie eind jaren vijftig aantrekt, keert Van Wouw terug en de productie van de ‘tweede generatie’ Triumph’s is een feit. Tussen 1957 en 1962 worden beide merken aan de Bloemstraat gemaakt, maar het zijn toch vooral de Royal’s die nu in groten getale hun bestemming naar winkels, instrumentenmakerijen en particuliere drummers weten te vinden. In 1962 stopt Van Wouw dan definitief met de productie van slagwerk en concentreert hij zich weer volledig op de import van Spaanse gitaren. De jaren daarna is het uitsluitend Royal wat de klok slaat, en vele drummers weten de weg naar het drumfabriekje te vinden. Voor losse trommen, maar zeker ook voor complete drumsets; samen te stellen op basis van eigen specificaties.

John Engels drinkt vaak ‘een bakkie mee’ en geeft gevraagd en ongevraagd advies, Tony Nüsser laat er een heel speciale ‘Rogers set’ bouwen en de Amerikaanse jazzdrummer Clarence Becton laat zich diverse bijzondere, opklapbare drumsets en trommen aanmeten. Andere drummers die regelmatig aanschuiven aan de tafel van de werkplaats zijn Dick Baars, Rob Kooijman, Evert Overweg, Han Bennink en Piet Klaassen. Een tafel, overigens, die elke dag rond lunchtijd goed gevuld is met verse broodjes, beleg en soms een lekker biefstukje of karbonaadje. Want naast het bieden van pure kwaliteit, wordt er aan de Bloemstraat ook zeker aandacht besteed aan ‘den inwendigen mensch’. Zo staat er op warme dagen altijd wel een koud pilsje naast de draaibank en wordt op vrijdagmiddag trouw door Looise en Vogel de week besproken onder het genot van enkele jenevertjes en wat malse harinkjes.

Overname
De jaren verstrijken en in 1979 krijgen beide mannen gezondheidsklachten. Ze besluiten te stoppen en willen dat netjes aan hun vaste afnemers gaan vertellen. Een heuse dagtoer met de auto voert hen langs de belangrijkste klanten. De laatste in de rij is de firma Schenkelaars-Brekoo te Eindhoven, een instrumentenmakerij van blaasinstrumenten die echter ook Royal trommen exporteert naar militaire muziekkorpsen van enkele dubieuze regimes in Zuid-Amerika. Dolf Schenkelaars ziet de beide Amsterdammers met hun boodschap over de voorgenomen sluiting met lede ogen aan, ziet zijn export in gevaar komen, en vraagt zich hardop af: ‘Waar haal ik goddorie dan zo’n goede trom vandaan?’ Waarop Looise en Vogel prompt hem voorstellen om de tent gewoon over te kopen. En laat die avond rijden zij terug naar Amsterdam met nog voor negen maanden extra werk en het vooruitzicht van een mogelijke overname van hun bedrijf.

Limburger in Amsterdam
In 1980 stuurt Dolf Schenkelaars een van zijn werknemers ‘op stage’ naar het Amsterdamse drumfabriekje om te zien ‘hoe die deksels mooie trommen daar gemaakt worden’. Die man is Toon Kobussen, door de Jordanezen steevast aangeduid als ‘die Limburger in Amsterdam’. In een half jaar tijd leert Toon het vak van trommenmaker, en rond de zomer van 1980 wordt de gehele productie van Amsterdam naar de fabriek van Schenkelaars in Eindhoven overgebracht. Toon krijgt daar de leiding over de nieuwe slagwerkafdeling.

Op 1 oktober 1980 valt officieel het doek voor het Amsterdamse Royal. Looise gaat van zijn pensioen genieten, Wim Vogel ondergaat een al lang geplande operatie, en keert daarna weer terug naar de Bloemstraat om er voor Schenkelaars en wat eigen klanten drums te bouwen. In 1986 valt het bedrijf van Schenkelaars in Amerikaanse handen en kort daarna, in 1988, gaat het failliet. Voorman Toon Kobussen koopt de machines van zijn voormalige werkgever op, evenals de merknaam Royal, en start in zijn woonplaats Maarheeze in Noord-Brabant zijn eigen bedrijfje: Royal Kobo Percussion. Zoon Ruud is voornemens het merk Royal op korte termijn opnieuw in de markt te zetten.

Ondertussen overlijdt oprichter en oud-eigenaar Looise in 1987 op 74-jarige leeftijd te Soest. Iedereen kende hem als ‘Meneer Looise’. Hij heette Leen. Leen Looise. Een bijzondere man met een bijzonder bedrijf.
drummer links