Adama Dramé: Djéli en djembéfola
Eerder gepubliceerd in Slagwerkkrant 55, mei-juni 1993
Slagwerkkrant Plus 24-12-2006 17:19
Het is evident: er waren tien jaar Slagwerkkrant en drie maal Paradiso van Slag voor nodig om tot het eerste uitgebreide interview met een Westafrikaanse djembéfola te komen. En dat terwijl volgens Adama Dramé zelf `percussie de motor van het bestaan is, en de kracht van percussie universeel.' Het is echter niet voor niets dat een verhaal als dit zo lang op zich heeft laten wachten. Adama Dramé is niet alleen een fabuleuze djembéspeler met een unieke, eigenzinnige speeltechniek - zoals op Paradiso van Slag jongstleden maart te horen was; hij is ook - zoals het een Afrikaanse `griot' betaamt - een goede verteller, die in staat is de functie en betekenis van de djembé voor ons westerlingen enigzins begrijpelijk onder woorden te brengen. Aan het woord is djembéfola en djéli Adama Dramé, boodschapper van zijn Malinké-volk.Djembéfola Adama Dramé bespeelt zijn instrument anders dan anderen, trekt met minder bravoure van leer dan anderen. De djéli Dramé benadert zijn publiek op een andere manier dan de meeste Westafrikaanse musici; er steekt meer achter zijn houding van eenvoud dan bedruktheid, onderdanigheid of verlegenheid. Maar ondanks deze gegevens komt de stortvloed van wetenswaardigheden, observaties en ideeën toch nog onverwachts. Dramé is even welbespraakt achter de microfoon als virtuoos achter zijn djembé. Volgens hem is `percussie zowel muziek als taal; maar een taal met heel precieze doeleinden, want de djembé spreekt alleen in samenspraak met de dans. De djembé is een slaginstrument voor vreugde en vermaak.'

De Westafrikaanse djembé heeft een enorm verspreidingsgebied: van Senegal, de Gambia en Guinee tot Burkina Faso; van Mali tot Sierra Leone, Liberia en Ivoorkust. In de dertiende en veertiende eeuw maakte het Mandingue-volk zich door oorlogsvoering en annexatie meester van bijna geheel West-Afrika bezuiden de Sahara, culminerend in het grote Malinese rijk. De Mandingue verspreidden met hun cultuur ook het gebruik van de djembé als traditionele- en feesttrommel. Adama Dramé noemt zich Malinké. In de geschiedschrijving wordt Malinké meestal gelijkgesteld aan Mandingue - ook door Dramé -, en soms gezien als een van de grootste van de honderden stammen die het Mandigue-volk uitmaken.

Adama Dramé is 39 jaar geleden in Burkina Faso geboren, en leeft nu in Ivoorkust. Vanwege het immense verspreidingsgebied van de Malinké kan hij in zijn nieuwe woongwbied, de Ivoriaanse stad Bouaké, met hetzelfde gemak zijn beroep van djembéfola (Malinké voor `bespeler van de djembé') en djéli (boodschapper van zijn volk) uitoefenen als in z'n geboorteland. Dramé:
`Ik ben in 1954 geboren in een griot-familie (Frans voor djéli). De rol van de djéli in de traditionele maatschappij is tot op heden zelfs bij de Afrikanen niet goed bekend en daarom ook niet bij de Europeanen. Het beroep van djéli wordt door sommigen heel negatief geïnterpreteerd. Ze laten hem doorgaan voor bedelaar, die alleen zingt voor het geld; ze beschouwen hem als een parasiet omdat hij mensen zou lastig vallen.'

Griot
Ondanks de langzame devaluatie van zijn beroep zit Adama Dramé nooit om werk verlegen. En dat is ook wel nodig:

`Thuis in Bouaké heb ik de verantwoordelijkheid over m'n familie. Ik heb twee vrouwen en negen kinderen, en ik heb m'n vader, m'n leerlingen, en andere familieleden die met me werken, die allemaal bij me wonen. Het is een grote verantwoordelijkheid. Je moet goed organiseren, iedereen moet zijn plaats weten, iedereen moet weten wat zijn of haar taken zijn; het zijn vijfentwintig mensen! En daarnaast heb ik m'n beroep, van volksmuzikant. Iedere ochtend of middag ga ik ergens spelen, wanneer ze me dat vragen. Dat is mijn leven. Iedere dag. En op de derde plaats heb ik m'n instrumentale ensemble, Foliba. Dat is m'n laatste bezigheid en daarmee is m'n tijd vol; ik ben altijd aan het werk.'

Foliba is samengesteld uit vijfendertig artiesten, waaronder instrumentalisten op gitaar, bas en balafoon; en er is zang, dans en percussie. Als artistiek leider en componist van het repertoire van de groep heeft Dramé bepaald dat de djembéspelers en danseressen de boventoon voeren.

`Het ensemble klinkt heel anders dan men gewend is, omdat de percussie de basis is en de instrumentatie als begeleiding dient. Heel anders dan bij andere instrumentale ensembles waar de percussie altijd een ondergeschoven kindje is. Mijn ensemble ís percussie, percussie is de basis, het uitgangspunt, en de instrumentalisten begeleiden òns. Dat is de kracht van mijn ensemble: een soort emancipatie van de percussie. Ik bewijs er namelijk werkelijk mee, dat de djembé een plaats toekomt, onvervangbaar is in de cultuur van de Malinké. De populariteit van de djembé is te danken aan de kracht van het instrument. Een Malinké bruiloft, een doopfeest, geen van die gelegenheden vindt plaats zonder de djembé. Het belang van het instrument is gelegen in het feit dat het gebruik ervan gelieerd is aan het leven. De djembé is gelieerd aan het leven van alledag.'

Afrikaanse sagen

`Vanaf de dag dat ik geboren ben heb ik mijn vader zien leven van deze muziek. Voor mij was het instrument een vanzelfsprekendheid. Ik had geen enkele reden om er vraagtekens bij te zetten: of het wel een beroep was of niet. Voor mij was het helemaal duidelijk. Sinds de dag dat ik begon m'n vader te begeleiden - ik was een jaar of elf, twaalf -, heb ik nooit meer iets anders gedaan. Ik had geen vragen in m'n hoofd. Ik voelde dat het een instrument was met een heel preciese functie, dat mijn vader een boodschapper van het verleden was, en dat de djembé een bepaalde kracht vertegenwoordigde.'

Het begin van Dramé's carrière als djembéspeler en djéli laat zich als een Afrikaanse sage aanhoren. Op een dag toen Dramé uit school kwam - hij zat toen in de vijfde klas van de lagere school -, kwam hij een blinde tegen die zich door een klein meisje liet begeleiden. Plotseling kwam bij Adama de vraag op wat er zou gebeuren als hij de man het meisje en z'n stok zou afnemen. Zo gedacht, zo gedaan. De blinde blijft - natuurlijk - stokstijf stilstaan en vervloekt de jonge onverlaat: `Bij Allah. Moge God ervoor zorgen dat je je schooljaren kwijtraakt.' Dramé:

`Ik was altijd de eerste van de klas, maar sindsdien heb ik niet meer gewerkt. Ik moest steeds denken aan wat de blinde had gezegd. Het achtervolgde me.'

Na een jaar aanmodderen op school, een jaar waarin Adama alleen maar aandacht had voor de muziek in zijn woonomgeving, vroeg zijn leraar hem wat er van hem moest worden als hij niet wilde leren. Dramé antwoordde dat hij muziek wilde maken zoals zijn vader. De leraar riep verbolgen: `Maar denk je dan helemaal niet na? Griot, dat is toch geen beroep!' Dramé: `Geen beroep! En dat durfde hij te zeggen, vijf jaar na de onafhankelijkheid van Burkina Faso!'

Deze en vele andere persoonlijke verhalen zijn te vinden in de autobiografie die Dramé met behulp van de Zwitserse Arlette Senn-Borloz schreef en die vorig jaar in Parijs het daglicht zag, Jeliya, Etre Griot et Musicien Aujourd'hui (Djéliya, het leven van een djéli en musikant van vandaag de dag).

`Het boek gaat over mijn artistieke leven. Het is niet alleen maar persoonlijk: het gaat ook over Afrika, cultureel gezien. Dat is belangrijk. Mijn eigen verhaal is natuurlijk niet voor iedereen interessant.

Dans
Intussen heeft Adama Dramé een zevenentwintigjarige carrière als djéli en djembéfola achter zich. Die twee beroepen zijn complementair: `Djéli's zijn meestal ook musici. Djéli- en djembéfola-zijn, dat gaat samen. Het zijn twee functies van één en dezelfde persoon.' Sommige djéli's zingen nooit, maar dragen hun teksten alleen voor. De meeste begeleiden zich met de ngoni, een driesnarige luit, of de gitaar, of met de djembé. De laatste wordt gewoonlijk in combinatie met andere trommels gebruikt: de doumdoum (zware, tweevellige drum met koebel erop), de kenkéni (kleine tweevellige begeleidingsdrum), en de tama (kleine talking drum), die allemaal met een kromme stok bespeeld worden.

De djéli wordt in het algemeen hoger aangeslagen dan de djembéfola omdat de eerste meestal met de mannenwereld te maken heeft, en de tweede met die van de vrouwen. De djembéfola begeleidt op bruiloften en partijen de dansen van de vrouwen. Dramé:

`Zonder de dans zou de djembé niets te betekenen hebben. Iedere slag die ik maak, heeft met een dansbeweging te maken. Ieder dansritme is hetzelfde opgebouwd. Het begint met een intro, dan volgen de basisbewegingen, daarna komen de improvisaties van de danseressen, en tenslotte de finale.'

De djembé is een eenvellige vaastrommel die uit een massief stuk goni-hout of - liever nog - lengé-hout wordt gehakt en intensief bewerkt. Andere houtsoorten worden ook gebruikt: hoe harder en zwaarder de houtsoort, des te beter voor de klank. Het overleg over de bouw is heel belangrijk, want die bepaalt de klank van de trommel: de hoogte van de body, de lengte van de pijp, de vorm van het geheel, maar vooral de dikte van het hout en de maat van het gat in de pijp. Dramé:

`Ik heb één djembé die ik dagelijks gebruik, maar ik heb er natuurlijk nog veel meer. Maar voor mijzelf heb ik er één. Deze heb ik nu achttien jaar. M'n eerste djembé kreeg ik toen ik bij m'n vader speelde, maar de eerste keer dat ik op tournee naar Europa ging, is hij bij het vervoer in het vliegtuig gebroken. Nu neem ik m'n eigen djembé niet meer mee op reis. De vliegmaatschappijen laten niet toe dat je je instrument bij je houdt. Maar als ik rijk ben koop ik gewoon een extra stoel voor m'n djembé, haha. Mijn eigen djembé is speciaal voor mij gemaakt. In overleg met de houtbewerker worden de vorm, de maat en de binnenkant bepaald. Ik kan niet op een polyester djembé spelen. Zo'n trommel klinkt als het materiaal waar hij van gemaakt is...'

`De huid is geit. Een Afrikaanse of Europese, dat maakt niet uit. De Afrikaanse zijn echt niet beter. Een huid kiezen is niet gemakkelijk. De dikte is heel belangrijk. Een te dikke huid geeft geen goede slaps en het doet teveel pijn aan je handen. En als hij te dun is, klinkt hij synthetisch: `plak, plak'. Je moet ze ertussenin hebben, niet te dik, niet te fijn. En dat is moeilijk. Ik wissel de huid van mijn djembé zeven keer per week... Ja, echt! Maar ik hoef het niet zelf te doen. Daar heb ik m'n leerlingen voor. Het is veel werk. Je kan de kwaliteit van het geluid niet vaststellen voordat de huid goed droog is, en dat kost tijd. En als ik niet tevreden ben, moet het nieuwe vel er weer af en een ander erop. Met veel zon zoals bij ons is het dezelfde dag nog droog. Dan probeer ik hem en als ie goed is, is ie goed.'

`Vooral wanneer de te bespannen djembé erg groot is, zo'n 35cm in diameter, moet je oppassen er niet een te kleine geit voor te slachten. Op de flanken van de geit is de huid een stuk dunner dan op de rug. Die flanken moeten ruim buiten de diameter van je trommel vallen, anders krijg je klankverschillen en heb je kans dat het vel snel scheurt. En dan moet je natuurlijk zorgen dat je de op de huid zichtbare streep van de ruggegraat exact in het midden plaatst. De djembé moet rondom precies dezelfde klank geven.'

Speeltechniek

`De mensen zijn altijd verbaasd als ze me zien spelen, omdat ik zo professioneel ben en veel kan laten zien. Maar dat komt door m'n intentie: ik onderzoek de techniek. Iedereen speelt djembé op dezelfde manier, maar ik wil verder, veel verder. Ik wil wel dezelfde algemene techniek gebruiken, maar op míjn manier! Een techniek van slaan vanuit de pols. Veel djembéfola's bewegen heel hun armen op en neer. Dat is dan wel veel spectaculairder, en ze transpireren veel, maar ik hoor niets bijzonders, alleen heel veel lawaai. Ik werk vanuit de polsen, en met m'n vingers, een heel aparte techniek, omdat het je toestaat om heel lang te spelen zonder moe te worden.'

`De feesten in Afrika duren soms een hele week. De musici verschijnen alle middagen en de vrouwen komen aan het eind van de middag om het feest te vieren tot aan de zonsopgang. Iedere hele dag, zonder ophouden, en daar heb je een heleboel energie voor nodig. En als ik uit de polsen speel, duurt het een uur voor ik vermoeidheid voel. Ik kan de hele dag spelen zonder ècht moe te worden. Het is een persoonlijke techniek. Ik geef altijd de raad aan mijn leerlingen die bij me trainen om altijd zó te oefenen, zelfs als anderen zeggen dat je de djembé niet zo moet bespelen. Want de mensen houden er altijd van achter je rug te praten; zo van: zó speel je geen djembé. Als ik er niet ben, accepteren ze het niet. Maar als ik zit te spelen, accepteren ze het.'

Tamtam Taptap

`Ik doe alles in dienst van de expressie. Solo spelen biedt me de gelegenheid om aan te tonen dat de djembé een muziekinstrument is en geen tamtam. Dat is een vulgaire benaming van Afrikaanse percussie-instrumenten. De djembé een tamtam noemen is een belediging. Ik denk dat mensen in de eerste plaats moeten weten dat de djembé een fantastisch instrument is omdat, als je liefde voor het instrument in je hart hebt als je speelt, en je instrument respecteert, je heel veel kunt bereiken. De djembé mag niet beschouwd worden als een tamtam, waar je op slaat, taptap, en antwoord krijgt. Het is een muziekinstrument zoals de klassieke piano, de viool, de saxofoon, en verdient evenveel respect. Je moet je ermee uitdrukken en dat vraagt héél, héél erg veel tijd. Dat vraagt veel werk, veel geduld, en veel toewijding, begrijp je?'

`Je bereikt nooit je top. Iedere dag ontdek je iets nieuws tijdens het spelen; als je tenminste bereid bent eraan te werken. Ik heb het spelen van solo's ontwikkeld om dit juist aan ons Afrikanen zelf te bewijzen. Aan onszelf, omdat we de waarde en het potentieel van het instrument hebben onderschat. Want het zijn niet alleen de Europeanen, het zijn wij Afrikanen zelf, die de diepere culturele betekenis van onze eigen trommeltradities niet begrijpen. Dit instrument heeft een diepgaande waarde voor ons; het correspondeert aan iets wezenlijks van ons.'

`Zelfs vandaag de dag, terwijl Afrika evolueert, zoals alles en iedereen overal altijd in beweging is - misschien zelfs wel teveel vandaag de dag; ondanks dàt is er in de moderne tijd nog steeds plaats voor een traditioneel instrument als de djembé. Ook in grote steden als Abidjan of Dakar (hoofdsteden van Ivoorkust en Senegal; red.). De djembé hoor je altijd klinken op straat. En dat is bijzonder, want het betekent dat het een traditie is. Ik vind dat goed. En het bewijst nu, in 1993, dat ik de juiste weg gekozen heb. Ik denk dat de djembé zijn plaats zal blijven behouden. Ik denk niet dat een ander instrument dezelfde klankrijkdom te bieden heeft. Er is natuurlijk veel meer percussie; zelfs in Afrika. Maar er is geen Malinké slaginstrument dat de djembé in de Malinké-traditie kan vervangen. Hij is echt onontbeerlijk. Zelfs als degene die hem bespeelt, de djembéfola, daar nog nooit over nagedacht heeft.'

`Het is de liefde voor m'n cultuur, dat ik me helemaal aan de djembé geef. Er is een taak voor mij weggelegd in Afrika. Ik heb een heel preciese functie. In Europa zou ik met mijn muziek niet permanent terecht kunnen. Ik zou zoals anderen een paar optredens kunnen geven, maar m'n muzikale mogelijkheden zouden beperkt zijn. Na tien solo's gespeeld te hebben, begin je te wankelen..., dan heb je geen ideeën meer. Maar ik moet toch de kost verdienen. Als ik bijvoorbeeld naar Amsterdam kom, is het gewoon alsof ik naar een dorp in de buurt van Bouaké ben gegaan om te spelen. Maar in Amsterdam verdien ik veel meer; dat kan je niet weigeren. Het is alleen niet precies hetzelfde werk. Helaas wordt de djembé in Europa gepresenteerd als een banaal instrument.'

Zwart en blank

`Ik wil daar nog iets over zeggen. Ik denk dat het nu ook aan de blanken is om eens een poging te doen om strenger te zijn in de programmering die ze doen. Want wat er nu gebeurt is dat de organisatoren van de festivals het vanwege financiële redenen preferen musici die niet te ver weg wonen te contracteren: als ze maar zwart zijn. Het publiek ziet het verschil niet: ze zijn zwart en ze slaan op hun trommels. Dat is wat er gebeurt. En dat is erg. Ze moedigen de mensen aan om zo te gaan werken. Dat vind ik een ernstige zaak. Zoals het met onze muziek gaat, zo gaat het niet met andere soorten muziek. Neem de Indiase muziek, met de sitar en de tabla; dan nemen ze niet zómaar iemand.'

`De djembé wordt ook in Afrika niet meer serieus genoeg genomen. Absoluut niet alleen in Europa! Daar ben ik van overtuigd! Tachtig procent van de vernietiging van onze kunst, de Afrikaanse kunst, daar zijn wij zelf verantwoordelijk voor. Vandaag de dag bevindt zich in de musea van Europa tachtig procent van de Afrikaanse kunstobjecten. In de muséa! En wij zijn medeplichtig, de Afrikanen. Natuurlijk! En ik weet dat het net zo'n slechte zaak is, ín Afrika: De mensen die vertrekken, dat zijn geen musici! Ze zouden zich schamen om de djembé in Afrika te bespelen. Ze komen naar Europa, pakken een djembé en beginnen erop te slaan. En bij de Europeanen gaat iedereen die zwart is voor een musicus door. Dat is het drama.'

`Iemand als Mamady Keïta, uit Guinee, die is professioneel! Die heeft zich in de paleizen van zijn land allang bewezen. Nee, ik heb het over de mensen die zichzelf de titel djembéfola geven, dat zijn de mensen die gevaarlijk zijn. Want dat zijn mensen die níets kennen, die niets weten! En Fodé Youla. Dat is de eerste persoon die hier in Europa de djembé heeft gepropageerd. Dat is een van de professionele musici! Maar wanneer je in een land leeft waar het werk dat je doet niets te maken heeft met je omgeving... Dan pas je je aan. Het is een keuze die je maakt. Tsja, er zijn er die goed werken en er zijn er die het minder goed doen; wat belangrijk is, is dat je duidelijk bent in wat je doet.'

`Ik zie m'n toekomst positief tegemoet omdat ik de wil heb om vooruit te komen in de wereld, omdat ik de toekomst met ernst tegemoet treed, met oprechtheid en eerlijkheid. En dàt telt, dat is wat van belang is. Het is niet gemakkelijk. Je loopt veel mis op die manier, omdat je veel afslaat. Maar ik prefereer dat. Ik bewaak mijn eigen werk, ik houd m'n werk serieus. Ik weet dat mensen die komen om een optreden van Adama Dramé te zien, altijd tevreden naar huis gaan.

Met dank aan slagwerker Hans Hoeksema voor zijn broodnodige en inspirerende bijstand.

Het boek Jeliya, Etre Griot et Musicien Aujourd'hui, dat Adama Dramé samen met de Zwitserse Arlette Senn-Borloz schreef, is in 1992 uitgegeven door uitgeverij L'Harmattan in Parijs, telefoon 09-33 1 43260452 (ISBN 2-7384-1481-8). Het is helaas nog niet uit het Frans vertaald of in Nederland verkrijgbaar.

Er zijn vier platen/cd's van Adama Dramé verschenen; verkrijgbaar bij de betere platenzaak. De groep Foliba komt in juli van dit jaar naar Europa en zal ook Nederland aandoen. Omdat het moeilijk is om met zo'n grote groep te reizen zal de groep dan beperkt worden tot 7 à 8 personen: 4 percussionisten, 1 balofon-speler, 2 zangeressen en 1 danseres.

drummer links